
De burgemeester van het bergplaatsje had besloten om vanuit Italië met het vliegtuig te reizen. Ikzelf gaf de voorkeur aan treinen, boten en bussen. Maar eenmaal aangekomen stonden we beiden met open mond te kijken naar de eenvoudige legerhut op Orkney, waarboven de Italiaanse vlag wapperde. De vaderlandslievende burgemeester was ontroerd, zag ik. Hij had tranen in zijn ogen.
“Een minuscuul eiland; Lamb Holm genaamd, omringd door onstuimig water.”
Bron: www.scotsitalian.com
Groen, regen en veel, heel veel wind. Hartelijke warme bewoners. Uit veel eilanden bestaat deze archipel. Het grootste wordt Mainland genoemd. Geen probleem om van eiland naar eiland te reizen. De Prisoners of War hadden dammen aangelegd om Orkney tegen de gevaarlijke U-boten te beschermen. Zo werden ook de eilanden met elkaar verbonden. Van hun kamp, het P.O.W. Camp 60, stond nog maar één barak overeind. Op het nippertje gered door de plaatselijke bevolking.
Het was een plechtig moment. We wisten wat we binnen zouden zien. Maar toch… Zoveel verhalen hadden we gehoord. Met talloze mensen hadden we contact gehad over deze twee samengevoegde Nissenhutten. We hoorden van stelletjes die uit de hele wereld hier kwamen om te trouwen. We lazen brieven van mensen uit Noord-Ierland, op zoek naar verloren geluk. Hier hadden ze vrede binnen zichzelf gevonden. Peace, vrede, pace. De geest van de kleine artiest uit de Dolomieten waarde rond in dit afgelegen gebied.
Het koor begon te zingen. De melodieën van kerkliederen uit lang vervlogen tijden golfden het kerkje uit. Heldere geluiden afgewisseld door donkere stemmen. De muziek betoverde ons, omhulde ons en alle andere aanwezigen. We liepen naar binnen en dronken de sfeer in ons op. De schildering van de Madonna en Kind was mooier dan op de foto’s die ik gezien had. Een zonnestraal scheen door het glas en verwarmde Haar. De ramen met afbeeldingen van de heiligen Franciscus van Assisi en Catharina van Siena schitterden in het licht en leken echt glas in lood. De muren waren met eeuwenoude steentjes bedekt. Zo leek het. Alles ademde een sfeer van heiligheid uit. Een troosteloze hut was een gouden kapel geworden. De kleine artiest uit Moena had dit weten te bewerkstelligen tijdens de oorlog. Hij, die te kwetsbaar was om dammen te bouwen, had toestemming gekregen om te schilderen. Om een kapel te scheppen. Een paar medegevangenen mochten hem daarbij helpen. Artiesten, zij ook, op een ander gebied. De overige gevangenen ontkleedden gestrande schepen van het ijzer. Het werd gesmolten. Opnieuw gebruikt. Een smeedijzeren hek werd ervan gemaakt. Vlakbij het altaar werd het kunstwerk geplaatst. Andere details begonnen ons op te vallen. Hoe geniaal is de mens in moeilijke tijden.
Het begon jaren geleden. Tijdens de tweede wereldoorlog. Een klein tenger mannetje, een artiest, kon niet onder het leger uit. Hij werd naar een woestijn gestuurd in Noord-Afrika om tegen Montgomery te vechten. Hij was het liefst in zijn bergdorpje gebleven, bij zijn mensen, zijn ouders. De ijle, koele berglucht van zijn woonplaats deed hem goed. Hij leed vreselijk in de hitte van de woestijn. Van zijn moeder had hij een bidprentje meegekregen met een afbeelding van de Madonna en Kind. Hij praatte met Haar, smeekte Haar om weg te mogen uit die hel. Zijn gebeden werden verhoord. Hij werd al snel gevangen genomen. Werd op een schip geplaatst met onbekende bestemming. Hij kwam hoog in het Noorden terecht. Koel was het daar, geen bergen te zien, maar het was er goed uit te houden. Het Noorderlicht hield hem vaak gezelschap. De kleurschakeringen vond hij spectaculair.
Hij wilde Haar danken, de Madonna, voor zijn leven en zijn toekomst. Voor alle mooie dingen die hij nog mee mocht maken. Een kapel wilde hij voor Haar bouwen, een ex-voto zoals gebruikelijk in zijn land. Het lukte hem. Hij ontwierp en schiep de kapel, waarin we nu luisteren naar het gezang, zo’n vijftig jaar later. Het gebouw dat de reden is geworden voor onze komst hier. De inwoners van de geboorteplaats van de artiest, reto-romanen uit Noord-Italië, stonden op het punt een zusterband te smeden met de afstammelingen van de Noormannen die nog steeds huizen op deze eilanden waar het meesterwerk van Domenico Chiocchetti, de Italian Chapel, het licht zag.
De artiest ligt al maanden op bed. Hij is oud, heeft geen kracht meer. Het is zijn sterfbed. Een vrouw staat naast hem in zijn slaapkamer. Een Schotse is zij. Zij kwam toevallig in dit grillige berggebied en hoorde dat zij zich in de woonplaats van de artiest bevond. Zij wilde hem leren kennen. Hij was een legende voor haar. Een half uur heeft zij gespeeld, de talentvolle beroemde vioolspeelster, de fiddler. Een serenade voor hem, alleen voor hem.De Schotten waren hem niet vergeten. De mysterieuze Keltische vioolmuziek van het hoge noorden golft de open ramen van zijn slaapkamer uit, overspoelt het groen, de huizen, de mensen, neemt zijn bergdorp in de Dolomieten in beslag. Een glimlach speelt om de mond van de artiest. Zijn vinger wijst naar boven. Een gebaar dat ik zo goed ken. Hij heeft een sterk geloof. Hij voelt God dicht bij zich, een huisgenoot. De muziek wordt trager, stopt uiteindelijk. Het heelal is stil en beschouwt deze twee wezens. Eén in hun liefde voor kunst en in de boodschap van vrede die zij de mensheid mee willen geven.
Orkney 1960
De artiest is op uitnodiging teruggekeerd naar Orkney om zijn kapel te restaureren. Bij vertrek zegt hij:
“the chapel is yours – for you to love and preserve. I take with me to Italy the remembrance of your kindness and wonderful hospitality. I shall remember you always, and my children shall learn from me to love you. I thank (you)….for having given me the joy of seeing again this little chapel of Lamb Holm where I, in leaving, leave a part of my heart.” Domenico Chiocchetti “ Goti” geboren op 5 mei 1910 te Moena (Trento), Italië, overleden op 7 mei 1999 te Moena (Trento)