Hij is me dierbaar, Henk Fräser. Binnen de lijnen kon hij zomaar transformeren van gazelle tot moordenaar, buiten de lijnen was hij een even fascinerende jongen. In een interview dat ik elf jaar geleden met hem maakte, keek hij zuiver in de spiegel en bleef hij ver van de macho ijdelheid die veel voetballers eigen is. Fräser noemde zichzelf lief, aardig, maar ook wispelturig, bijna overdreven rechtvaardig en bovenal een kuddedier: ‘Ergens houd ik ervan me te verstoppen in een groep.’
Kind van een bescheiden Indiaanse moeder en een trotse Surinaamse vader. In die periode was hij vaak geblesseerd en dat maakte hem ziedend. Vandaar ook dat hij zich een tikkeltje misdroeg in de bekerfinale tegen Volendam. Hij vermoedde dat zijn lichaam hem definitief in de steek had gelaten en dit zijn laatste wedstrijd was. Het verdriet dreef hem voort en de heren Binken en Wilson hebben het geweten.
Fräser, goed voor zes interlands, was meer dan een verdediger, hoe zeer hij dat vak ook verstond. Hij liep prachtig, soepel en snel, kon scoren en opstomen van zestien naar zestien.
Met zijn karakter paste hij bij de volksclubs. “FC Utrecht en Feyenoord, dat waren de mooiste periodes, met Roda JC daar net onder. Dat ik Utrecht noem heeft alles te maken met Ton Pattinama. Hij en mijn vader zijn heel bepalend geweest voor mijn carrière. Als jonge speler wil je goals maken, acties, een beetje pielen, een beetje in de aandacht staan. Je ziet het totaalbeeld niet. Mijn vader overtuigde me: doe je best, jongen. Als ik het erbij liet zitten, kreeg ik gigantisch op mijn flikker. Maar wel rechtvaardig. Toen ik bij Utrecht kwam, was ik nog altijd wat naïef, slordig, niet vast. Een softie ook. Toen ging Pattinama zich met me bemoeien. Dankzij hem en mijn vader kreeg ik karakter. De wil om te winnen.”
Het bracht hem bij Feyenoord, waar hij achttien jaar lang bleef hangen. “Ik ben gek van Utrecht, maar van Feyenoord helemaal. We hadden een prettig gestoorde groep die steeds de knop kon omdraaien. Vreselijk onderschat zijn we. We wonnen vier keer de beker en één keer de titel, maar hadden de pech dat Ajax wereldtop was. Wij waren nationale én Europese top. Iedereen is vergeten dat ook wij steeds ver kwamen in de Europa Cup. Halve finale tegen Monaco, die 3-4 winst in Bremen… Maar Ajax was een maatje te groot. Als sportman kan ik dat toegeven. Dat had ik nu ook gekund, als het waar was…”
Die laatste zin schreeuwt om uitleg. Fräser moest onlangs als jeugdtrainer wijken, na jaren trouwe dienst. Stanley Brard had het zo besloten. “En als Brard beter zou zijn dan ik, dan had ik dat kunnen toegeven. Maar dat is niet zo. Echt niet. Dat zo’n grote club als Feyenoord, op basis van wat één persoon vindt, zulke dingen laat gebeuren… ongelooflijk. Ik zou zoveel kunnen vertellen nu, zo graag mijn verhaal doen, maar dan beschadig ik de club waar ik van houd. En dat wil ik niet. Feyenoord zit diep in mijn hart. Is de club van mijn vader. Dat is heel belangrijk voor me.”
“Laten we het liever over de mooie tijd van toen hebben,” zegt Fräser. Over de humor. “De Wolf kreeg tegen Porto een klap op zijn hoofd. Bloedde als een rund, moest worden gehecht. Er werden even wat nietjes ingeschoten. Wij stonden er met ons allen overheen gebogen, Wolf kronkelde van de pijn, zegt Witschge: ‘Jeukt het of zo, wat ís er nou, Wolf?’ Maar even later wel met ons allen loeren op diegene die Wolf geflikt had. Ik zie nog Blinker Couto keihard aan zijn haren trekken en onmiddellijk weg sprinten. En o ja, die arme Metgod, die was wel altijd een gemakkelijk doelwit. We hebben zijn auto eens vastgebonden aan het stadion. Hij zet hem vol in zijn achteruit en hoort toch een klap. Touw gebroken. Ik heb hem nog nooit zo wit gezien. En wij haalden altijd Surinaamse broodjes, vond Metgod ook zo lekker. Hadden we zijn broodje helemaal vol gesmeerd met sambal. Hij werd gek: water, water! Pakt-ie een glas, zat er natuurlijk weer rode peper op de rand.”
Fräser kon alleen genieten als hij op kon gaan in zo’n groep. “Oranje, Suriprofs, dat trok me nooit. Zit je zes dagen bij elkaar, niks voor mij. Bij mij draaide alles om het gevoel dat ik ergens had. Ik moest minstens twee jaar in een groep zitten. Gek, mijn tweede seizoen was ook altijd het beste.”
En nu heeft hij voor twee seizoenen getekend bij ADO Den Haag. Als assistent van Wiljan Vloet. ADO, weer typisch zo’n club voor Henk. “Niet de gemakkelijkste club, maar wel: mooie cultuur, enorme achterban. Eerlijkheid, rauwheid. Iedereen een mening. Dat mag ik wel.”