De halsbandparkiet is een invasieve exoot, die door menselijk toedoen in Nederland terechtgekomen is en waarvan de populatiegrootte de laatste jaren fors stijgt. Alleen al in Den Haag en Amsterdam gaat het nu al om zo’n 3700 stuks per stad.
In het artikel wordt vooral ingegaan op de concurrentie van de halsbandparkiet met inheemse vogels om nestgelegenheden, in casu boomholtes. Concurrentie die – vergeleken met een situatie zonder halsbandparkieten – altijd nadelig uitpakt voor de inheemse vogels, alleen al vanwege het feit dat er voor hen minder (geschikte) nestgelegenheid overblijft.
Van concurrentie is sprake als de exoot nestgelegenheid gebruikt die ook door inheemse soorten gebruikt wordt. Dit kan blijken uit het feit dat de exoot een inheemse soort uit zijn nest verjaagt, hetgeen tijdens het onderzoek werd waargenomen. Echter ook de waarneming dat een inheemse soort een halsbandparkiet verjaagt, toont aan dat de exoot nestgelegenheid benut die ook geschikt is voor de inheemse soorten. Dat de halsbandparkiet volgens het onderzoek vaker door inheemse vogels zou worden verdreven dan dat hij ze zelf verjaagt, is tegen deze achtergrond absoluut niet relevant. Het suggereert dat je deze situaties tegen elkaar zou kunnen wegstrepen, terwijl je ze juist bij elkaar moet optellen omdat beide waarnemingen wijzen op concurrerende effecten van de halsbandparkiet. Als de halsbandparkiet niet in de boomholte had gezeten, had de inheemse soort geen energie hoeven te steken in het wegjagen van de exoot, en had hij ook geen risico gelopen op beschadiging of verwonding tijdens de schermutselingen.
Alleen al deze waarnemingen leiden dus tot de conclusie dat de halsbandparkiet met inheemse vogels concurreert om nestgelegenheid en dus – zeker gezien de explosief ontwikkelende populatie – een serieuze bedreiging vormt voor inheemse holenbroeders, in ieder geval op lokaal niveau en in de toekomst mogelijk zelfs op grotere schaal.
Daarnaast staan er in het rapport nog andere zaken die pleiten tegen het hierboven geciteerde standpunt. Zo is er landelijk sinds 1990 een stijgende trend te zien in de aantallen inheemse holenbroeders, zoals boomklever, grote bonte specht en groene specht. In de onderzochte parken, waar veel halsbandparkieten verblijven, is er van een stijgende trend niets te merken. De aantallen lijken hooguit stabiel of zijn dalend en bij sommige soorten is zelfs sprake van volledige verdwijning uit het park. Alleen de aantallen halsbandparkieten nemen toe.
Invasieve exoten zijn na vestiging in een nieuw leefgebied soms niet meer te verwijderen en kunnen hooguit – tegen hoge kosten – enigszins in toom worden gehouden. De schadelijke effecten die ze veroorzaken, zijn dan onomkeerbaar. Toepassing van het voorzorgbeginsel ligt daarom in de rede: ga uit van de schadelijkheid, totdat onomstotelijk is aangetoond dat er geen schade te verwachten is. De gegevens die Willem van Esch tijdens zijn onderzoek heeft verzameld tonen niet aan dat de halsbandparkiet onschadelijk is. Integendeel: ze bewijzen dat de halsbandparkiet met inheemse holenbroeders concurreert om nestgelegenheid.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over andere schadelijke effecten zoals voedselconcurrentie met inheemse soorten in de winter, schade aan de fruitoogst en de mogelijke overdracht van papegaaienziekte.
Al met al is het dus volkomen terecht dat de halsbandparkiet bij veel mensen, waaronder ook biologen, negatieve reacties oproept. De Nederlandse overheid zou daarom – zoals in België al gebeurt – serieus moeten gaan nadenken over maatregelen om het probleem aan te pakken.