Het Waterplantconvenant
Er is ruim drie jaar aan gewerkt, maar op 23 februari was het dan zover: in de Hortus Botanicus werd het Waterplantconvenant ondertekend door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV), de Unie van Waterschappen, de Nederlandse Bond van Boomkwekers, de Vereniging van Vasteplantenkwekers, Dibevo, Tuinbranche Nederland en enkele bedrijven uit de doelgroep die bij de uitvoering de belangrijkste rol heeft: de importeurs, telers en handelaars.
Het zijn er zo weinig dat ze hier best even met naam genoemd kunnen worden: Aquaflora BV, Waterplantenspecialist van der Werf, Songrow, De Plomp BV en d’n Bart waterplantenkwekerij en adviesbureau.
Er zijn in Nederland natuurlijk veel meer bedrijven die tot de doelgroep horen. Met name het aantal verkooppunten van waterplanten zal snel in de duizenden lopen, denk maar aan al die dierenwinkels en tuincentra. Maar goed, vijf is een begin en het is de bedoeling van het ministerie van LNV dat al deze duizenden bedrijven over niet al te lange tijd hun handtekening onder het convenant gaan zetten. Maar daar komen we aan het eind nog even op terug.
Het convenant heeft twee pijlers: een verkoopverbod en een voorlichtings- en etiketteringsplicht.
Verkoopverbod
Voor zes planten, genoemd in Bijlage 1 van het convenant, verplichten de ondertekenaars zich om deze planten niet te leveren aan consumenten, en ook niet zelf te gebruiken. In bijlage 1 staan grote waternavel, Hydrilla, parelvederkruid, kleine waterteunisbloem, watercrassula en waterteunisbloem. Grote waternavel is al jaren wettelijk verboden, dus feitelijk introduceert het convenant alleen een verkoopverbod voor de overige vijf soorten.
Let wel: dit verbod geldt alleen voor importeurs/telers/handelaars die het convenant hebben ondertekend. Wie het convenant niet ondertekent, is er niet aan gebonden en mag deze vijf soorten gewoon blijven verkopen.
Voorlichtings- en etiketteringplicht
Voor de zeven planten genoemd in Bijlage 2 geldt dat deze verkocht mogen blijven worden, maar dat de verkoper daarbij wel voorlichting moet geven aan de consumenten over de risico’s die de planten in de natuur opleveren. De planten moeten ook voorzien worden van een etiket waarop onder andere wordt vermeld dat vanwege de bedreiging voor inheemse planten en dieren “dringend wordt geadviseerd om verspreiding naar het oppervlaktewater te voorkomen.“
Bijlage 2 betreft kroosvarens, waterwaaier, waterhyacinth, Egeria, ongelijkbladig vederkruid, watersla en grote vlotvaren.
Let wel: deze advies- en etiketteringplicht geldt alleen voor importeurs/telers/handelaars die het convenant hebben ondertekend. Wie het convenant niet ondertekent, is er niet aan gebonden en mag deze soorten gewoon blijven verkopen, zonder advies of etiket.
Niet-genoemde planten
Naast de in het convenant genoemde soorten heeft de Plantenziektenkundige Dienst nog de volgende soorten als ‘meest risicovol’ aangemerkt: parelvederkruid, smal Kroos, smalle waterpest, verspreidbladige waterpest, moerashyacinth, moeraslantaarn, breed pijlkruid en gele maskerbloem.
Voor deze zeven soorten geldt het convenant niet. Deze mogen dus – ook door de ondertekenaars! – gewoon verkocht blijven worden en er hoeft geen voorlichting of etiket bij gegeven te worden.
Visies op het convenant
Beheerders van natuurterreinen en van oppervlaktewater (sloten, beken, rivieren en dergelijke) hebben baat bij een effectieve aanpak van het waterplantenprobleem. De planten veroorzaken een aantasting van de natuurwaarden van het terrein of water waar zij verantwoordelijk voor zijn, de beheerders maken forse kosten om de planten enigszins in toom te houden en de werkzaamheden leveren ook verstoringen op voor het waterleven. Daarom is aan enkele beheerders gevraagd naar hun visie op het convenant.
Natuurmonumenten
Natuurmonumenten beheert een groot aantal natuurgebieden, inclusief het oppervlaktewater dat daar deel van uitmaakt. Laatst was de vereniging nog in het nieuws omdat ze grote zorgen hebben over de verspreiding van Cabomba (ofwel waterwaaier) in de Loosdrechtse plassen.
Henk Siebel van Natuurmonumenten: “Het verkoopverbod gaat alleen gelden voor de zes planten uit Bijlage 1 van het convenant. Deze schadelijke soorten komen inmiddels al zo algemeen in de natuur voor dat een verkoopverbod op een zo laat moment weinig uithaalt. De bestaande populaties verspreiden zich al vanzelf doordat kleine stukjes van de planten loslaten en elders tot nieuwe populaties uitgroeien. Dat er dan eventueel nog wat nieuwe exemplaren in de sloot worden gedumpt, maakt in zo’n situatie niet zo veel meer uit. Het verkoopverbod voor deze soorten is dus eigenlijk mosterd na de maaltijd.”
Naar de mening van Natuurmonumenten zou het verkoopverbod zich daarom met name moeten richten op de soorten die nog niet zo massaal voorkomen. Het gaat dan onder meer om de soorten uit Bijlage 2.
“Voor deze soorten gaat het verkoopverbod echter niet gelden, alleen de plicht om er een etiket op de plakken met een waarschuwing en het advies om de planten niet in de sloot te gooien. Dit etiket zal in de praktijk echter meteen na aankoop in de vuilnisbak belanden. Tegen de tijd dat de vijver door de planten overwoekerd dreigt te worden, zal men de waarschuwing allang weer vergeten zijn en gooit men de planten (overigens met de beste bedoelingen!) in de sloot, “ aldus Siebel.
“Een groot aantal van de riskante soorten water- en moerasplanten, zoals de verspreidbladige waterpest, zijn niet eens in het convenant genoemd. Ook voor deze soorten zal het preventieve effect van het convenant minimaal zijn.”
Het totaaloordeel van Siebel over het convenant is duidelijk: “Al met al scoort het convenant wat Natuurmonumenten betreft een onvoldoende.”
Staatsbosbeheer
Staatsbosbeheer is net als Natuurmonumenten een belangrijke terreinbeheerder in Nederland en heeft een nauwe relatie met het ministerie dat verantwoordelijk is voor het opstellen van het convenant.
Woordvoerder Marjet Heins van Staatsbosbeheer vindt het convenant een prima eerste stap om een groot en groeiend probleem aan te pakken. “We hopen dat er met andere sectoren (zoals rondom huisdieren) vergelijkbare afspraken zullen volgen.”
Op de vraag wat Staatsbosbeheer ervan vindt dat slechts zes van de 20 riskante soorten worden verboden, antwoordt Heins: “Alles is beter dan niets, dit is een mooi begin. Wij gaan er vanuit dat als deze aanpak werkt de andere soorten ook aan het convenant zullen worden toegevoegd, al dan niet vanuit een verzoek van de waterschappen die het meest getroffen worden door de schade door deze soorten.“
Gevraagd naar de keuze voor een convenant in plaats van wettelijke regels merkt Heins op: “Het is in ieder geval goed dat er iets gebeurt aan dit probleem, en ook prettig dat de sector zo duidelijk voor zichzelf een rol ziet in het oplossen van het probleem. Een wettelijk verbod heeft een aantal voordelen zoals een level playing field en helderheid voor alle betrokkenen, maar met voldoende deelnemers kan een convenant ook zeer effectief zijn en het is nu in ieder geval veel sneller geregeld dan via een wettelijk verbod. Wij gaan er vanuit dat de minister de uitvoering van dit convenant goed in de gaten zal houden en mocht het niet opleveren wat zij wil, andere maatregelen als stok achter de deur heeft.”
Bij de opmerking van Heins dat het nu in ieder geval veel sneller geregeld is dan via een wettelijk verbod, is wel een kanttekening te plaatsen. Het heeft sinds het eerste overleg ruim drie jaar geduurd voordat het convenant gereed was voor ondertekening. Het convenant is slechts door vijf importeurs/telers/handelaars ondertekend en het is maar zeer de vraag hoe snel de ondertekening door de overige (duizenden!) betrokken partijen verloopt.
In de drie jaren die inmiddels verstreken zijn had het wettelijk verbod (door wijziging van het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten, waarin het verbod op de grote waternavel al is opgenomen) waarschijnlijk al lang en breed ingevoerd kunnen zijn.
Waterschap Rivierenland
Waterschap Rivierenland beheert het oppervlaktewater in het rivierengebied en maakt hoge kosten bij de bestrijding van invasieve exoten. Waterschap Rivierenland heeft er dus belang bij dat er een goed beleid gevoerd wordt bij het oplossen van huidige problemen en bij het voorkómen van nieuwe problemen. Het waterschap heeft de Unie van Waterschappen (die het convenant ondertekend heeft) geadviseerd tijdens de totstandkoming van het convenant.
Ronald Gylstra van Waterschap Rivierenland: “Voor de inzet van het middel convenant is gekozen door het Ministerie van LNV. Het Ministerie heeft er voor zorg gedragen dat in de overleggen de belangrijkste partijen betrokken zijn en uiteindelijk ook getekend hebben. In de loop van het overleg is ook het Ministerie van Verkeer en Waterstaat als gesprekspartner aangeschoven.
Door (toename van) de invasieve exotische soorten zien we een toename van schade aan ecologie en inrichting, veroorzaakt door die soorten. We willen dus zo snel als mogelijk risico’s op nieuwe schade ‘aan de voordeur’ voorkomen. Daarbij is het belangrijk dat betrokken partijen, zoals de rijksoverheid, waterschappen en de handel gezamenlijk optrekken. De waterschappen hebben zich in de overleggen als een kritische gesprekspartner opgesteld en nadrukkelijk de optie van een verbodslijst ter sprake gebracht. Anders dan een eenzijdig verbod is het convenant een middel dat kan bijdragen aan een breed gedragen inzet.
Het is vooral belangrijk dat bij de verkooppunten informatie wordt gegeven over risico’s van verspreiding. Naast een aantal niet aangesloten kwekers en handelaren hebben ook organisaties, zoals Dibevo en vertegenwoordigers van tuincentra het convenant ondertekend. Daarbij hebben ze aangegeven dat de aangesloten leden hiermee ook de afspraken gaan nakomen. Hiermee zijn de meeste verkooppunten bereikt, en we kunnen er direct mee aan de slag. Opgenomen is dat de Plantenziektenkundige Dienst toeziet op naleving, en bij de bedrijven langs zal gaan. Ministerie van LNV en de Unie van Waterschappen zullen ook het publiek informeren over de risico’s van exoten.
Het opstellen van een Nederlandse verbodslijst is op dit moment een lange weg, waarbij Europese wetgeving een belemmering vormt en waarvan de uitkomst onzeker is.”
Gevraagd naar de Europese wetgeving die een belemmering zou vormen, geeft Gylstra aan dat het volgens hem zo is dat Nederland niet eenzijdig handelsbeperkingen mag opleggen. Ook merkt hij op dat het vele jaren geduurd heeft voordat het verbod op grote waternavel van kracht was. “Voorkomen moet worden dat het weer zo lang gaat duren,” aldus Gylstra. .
Een feit is dat in het verleden al één exotische waterplant wettelijk verboden is en dat dit besluit nooit op Europees niveau is aangevochten. Het blijft onduidelijk waarom er dan nu opeens belemmeringen zouden zijn om daar meer waterplanten aan toe te voegen.
Op de vraag wat Waterschap Rivierenland ervan vindt dat slechts zes van de 20 riskante soorten zijn verboden antwoordt Gylstra: “Het nu afgesloten convenant is een eerste afspraak en het is daarbij belangrijk dat er een lijst van soorten op tafel ligt waarmee alle betrokkenen op korte termijn aan de slag kunnen. De soorten zoals opgenomen in Bijlage 1, zijn voor zover nu bekend het meest risicovol en veroorzaken de meeste schade. We verwachten ook dat door het uit de handel nemen van deze soorten de kans op hernieuwde introductie verkleind wordt. Bij de probleemsoorten ongelijkbladig vederkruid en waterwaaier (ofwel Cabomba) is nog onduidelijkheid over juiste herkenning en officiële naamgeving, daarom staan deze nu in bijlage 2. Andere soorten in Bijlage 2 zijn niet winterhard, of zijn nu nog niet problematisch. Het convenant wordt jaarlijks geëvalueerd en dat betekent ook dat de soortenlijst elk jaar ter discussie staat. Er kunnen dus elk jaar soorten aan toegevoegd worden.”
Tot slot merkt Gylstra op: “Waterschap Rivierenland hecht grote waarde aan het nakomen van het convenant, en zal zich dan ook als een kritische adviseur van de Unie van Waterschappen blijven inzetten. Mocht het convenant geen goed middel blijken te zijn, dan zullen wij de optie van een verbodslijst ook zeker ter sprake brengen bij de Unie.”
Bindendheid van het convenant
Er blijken bij de partijen die bij het opstellen van het convenant betrokken waren, verschillende opvattingen te bestaan over de juridische binding ervan. Met name gaat het om de vraag of een branche-vereniging door het plaatsen van haar handtekening haar leden direct aan het convenant kan binden.
Het ministerie van LNV, de Vereniging van Vasteplantenkwekers en Dibevo zijn daar duidelijk in: de afzonderlijke leden van deze branches zijn pas aan het convenant gebonden als zij het convenant zelf ondertekenen. De rol van de branche-organisaties is dat zij naar hun leden toe aan voorlichting gaan doen en op deze manier proberen hun leden zover te krijgen dat zij het convenant ondertekenen.
Han de Groot van Tuinbranche Nederland, die ook het convenant heeft ondertekend, kijkt daar heel anders tegenaan. Hij gaat ervan uit dat zijn handtekening onder het convenant betekent dat zijn leden aan het convenant gebonden zijn; zo niet juridisch, dan in ieder geval moreel. Hij is niet van plan om bij zijn leden te gaan bevorderen dat zij hun handtekening eronder zetten, en kan zich ook niet voorstellen dat het ministerie dit gaat doen.
Misschien moeten de betrokken partijen binnenkort toch maar weer even om de tafel gaan zitten om het eens te worden over dit toch wel zeer cruciale aspect.