Aan het besluit van minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) om vijf soorten invasieve exotische waterplanten via een convenant te verbieden, ligt geen risico-analyse ten grondslag. Dit is in strijd met de eerder door haar uitgebrachte Beleidsnota Invasieve exoten. Het is dus goed mogelijk dat de vijf soorten die via het convenant worden verboden, niet de meest riskante soorten zijn en er sprake is geweest van ordinair handjeklap met de handelaars.
“Het zou dus best kunnen dat voor die vijf soorten is gekozen omdat een verbod op deze soorten voor de handelaars het minste pijn deed, terwijl ze daarmee wel een mooi gebaar konden maken.”
In februari sloot minister Verburg een convenant met enkele kwekers en handelaars, waarbij zij zich verplichtten om een zestal soorten exotische waterplanten niet meer te verkopen (zie
dit Nieuwslogbericht). Van deze zes soorten was de verkoop van één soort (Grote waternavel) al wettelijk verboden, zodat het convenant feitelijk een verkoopverbod voor vijf soorten behelst.
Die vijf soorten maken deel uit van de lijst van 20 meest riskante invasieve waterplanten die de Plantenziektenkundige Dienst eerder bekendmaakte (zie
dit Nieuwslogbericht) en die beschreven zijn in recent verschenen Veldgids Invasieve waterplanten (zie
dit Nieuwlogbericht).
Het platform Stop invasieve exoten heeft op basis van de Wet openbaarheid van bestuur gevraagd om openbaarmaking van de risico-analyse die is uitgevoerd om te komen tot de lijst van 20 riskante planten, en de keuze van de vijf verboden soorten in het convenant. Volgens de
Beleidsnota invasieve exoten zou aan het exotenbeleid namelijk steeds een risico-analyse ten grondslag moeten liggen, waarover het Team Invasieve exoten (TIE) vervolgens een advies uitbrengt aan de minister.
Echter, uit de reactie van het ministerie van LNV op het Wob-verzoek blijkt dat er voor exotische waterplanten nooit een risico-analyse is uitgevoerd en ook nooit een advies is uitgebracht door het TIE. Hoe de lijst van “20 meest risicovolle waterplanten” tot stand gekomen is en of dit daadwerkelijk de meest riskante planten zijn, is hiermee totaal onduidelijk. En of de vijf soorten die met het convenant worden “verboden” de meest riskante soorten zijn, is dus ook maar zeer de vraag.
Het zou dus best kunnen dat voor die vijf soorten is gekozen omdat een verbod op deze soorten voor de handelaars het minste pijn deed, terwijl ze daarmee wel een mooi gebaar konden maken. Het feit dat het ministerie de bespreekverslagen met de handelaars – ondanks het Wob-verzoek – niet aan de openbaarheid wil prijsgeven, doet het ergste vermoeden.