
Taal is een gebrekkig middelen tot communicatie. Taal is een kwestie van afspraken. Als we stoel schrijven of zeggen dan gaan we er van uit dat iedereen in onze omgeving begrijpt dat we doelen op een zitplaats. Een zitplaats meestal op 4 poten en voorzien van een zitting. Dat doen we in het Nederlands zo sinds ongeveer 1200. Dat we vroeger met het woord stoel ook iets anders bedoelden is terug te vinden in het keurige woord stoelgang. Vroeger betekende stoel namelijk ook ontlasting. Omdat taal balanceert op onderlinge afspraken is het niet altijd mogelijk om eenduidige betekenissen van een woord vast te leggen. De afspraken kalven af, er komen zaken en emoties bij die om verwoording vragen. Onze verklarende woordenboeken zijn er het bewijs van.
Daarbij gaat zowat elke generatie op zoek naar zijn eigen “taal” om gevoelens duidelijk te maken. Daardoor ontstaan dan weer misverstanden met andere generaties die de gevoelsmatige inhoud van woorden en uitdrukkingen niet op dezelfde manier kunnen “aanvoelen”. Verder heeft elke taal natuurlijk zijn eigen culturele lading die moeilijk op te pikken is voor iemand die een vreemde taal leert gebruiken. Daarom is het allesomvattend “een tweede taal leren” onmogelijk. Je leert een andere dan je moeders taal gebruiken. Zo goed mogelijk.
Omdat we vaak van mening zijn dat we, om welke reden dan ook, ons niet geschikt kunnen uitdrukken in onze eigen taal, gaan we te leen bij vreemde talen. Tegenwoordig doen we dat voornamelijk bij het Engels. Vroeger was Frans of Duits een bron, ook Spaans vinden we terug. Als we ver genoeg terug gaan in de tijd stellen we vast dat onze woordenschat voor een groot deel bestaat uit woorden die we geïmporteerd hebben uit andere, oudere talen, die zelf vaak als zelfstandige taal verdwenen zijn.
Het over de grenzen heen met elkaar communiceren en elkaar begrijpen is dus niet zo eenvoudig. Rijksgrenzen bepalen vaak de evolutie van een taal. Kijk maar naar de tegenstellingen tussen het Noord en Zuid Nederlands, het Spaans en het Latijns Amerika Spaans, Het Engels en het in Amerika gebruikte Engels. China heeft een eigen oplossing gevonden om het land, dat ongeveer 200 volwaardige talen kent, voor alle Chinezen dezelfde taal te geven. Via het tekenschrift. Elk van de 200 talen in China kent voor bijvoorbeeld het woord huis hetzelfde geschreven teken. Daardoor kan elke Chinees “huis” lezen, hoe hij het ook in zijn taal uitspreekt. Daarmee haal je natuurlijk wel de emotionele lading uit de taal, een belangrijk onderdeel van de communicatie.
Alsof dat allemaal nog niet genoeg is hebben we ook nog te maken met “toontalen”. Daarbij is het probleem dat een woord uitgesproken op een andere toonhoogte een andere betekenis krijgt. En er zijn natuurlijk ook talen waarin men de klinkers niet schrijft zodat het vaak een gissen blijft wat de oorspronkelijke auteur nu heeft bedoeld toen hij zijn tekst neer schreef.
We zijn nu druk bezig om een nieuw probleem te introduceren. De taal die we gebruiken in het internet en SMS verkeer. Die zou per definitie zo gebald en zo internationaal mogelijk moeten zijn. Of zoiets kan zal de toekomst uit moeten wijzen.
De 4 klinkt in alle talen zowat anders. Zal iedereen bereidt zijn om in de toekomst de 4 ook te accepteren als abstract teken voor het woord for. Sluiten we door die keuze niet een groot deel van de mensen uit van het internetverkeer en evolueren we niet langzaam, zoals in het verleden met de lands- en streeltalen, naar verschillende internettalen, wat dan weer in tegenspraak zou zijn met het streven naar een wereldomvattend communicatiemiddel.
Een ding is zeker. Taal is een levend iets dat meegroeit met alles wat we maar kunnen verzinnen. Als dat ophoudt dan stopt elke vorm van onderling contract en zullen we ons met Shakespear moeten af gaan vragen : 2BorO2B
De wereld om mij heen.