Auteurs voor recht

.

Het auteursrecht is nog vrij jong. Kunstenaars verdienden vroeger hun brood door te werken in opdracht. Of ze stonden in dienst van een monarch of een rijke familie.

Hun arbeidsovereenkomst hield dan meestal in dat ze in ruil voor een toelage minstens een aantal werken leverden of dat ze voor plechtige gelegenheden en voor feesten de muziek, de teksten of de versiering verzorgden. Kunstenaars waren ambachtslieden die lid waren van een gilde. Een figuursnijder sneed figuren in hout, een beeldhouwer maakte beelden in steen. Schilders schilderden portretten of beschilderden muren, siersmeden maakten deuren, muzikanten speelden in de hoforkesten of in de kerken, toneelauteurs schreven voor hun eigen gezelschap of in opdracht van een gemeentebestuur. Succesvolle kunstenaars konden zich meer zelfstandig opstellen. Componisten organiseerden uitvoeringen  van hun werk met een eigen orkest, schilders hadden een atelier waar ze hun leerlingen lieten mee schilderen aan werken die ze probeerden te verkopen aan de rijke bezoekers van het atelier. Auteurs lieten hun teksten drukken en verkochten de gedrukte teksten dan zelf. De middelen om de kunstwerken op een eenvoudige manier te verveelvoudigen ontbraken. Men was voor een deel artiest en voor een deel verkoper van zijn eigen waar. Dat is heel lang zo gebleven. Zo kon men in de vorige eeuw op de markten nog zangers horen die hun eigen liedjesteksten op papier verkochten. Aan het stemgeluid van de hedendaagse volkszangers is nog te horen dat ze uit die traditie stammen.

De kunstenaar werd uiteindelijk erkend als de eigenaar van de door hem gemaakte kunstwerken en verkreeg het auteursrecht dat hem het alleenrecht gaf om, voor een beperkte tijd, het resultaat van zijn werk te laten drukken en te (laten) verkopen. Men mocht zijn werk wel gebruiken maar er moest daarvoor een redelijke vergoeding worden betaald. De controle op het gebruik van het werk en het verkopen aan de tussenhandel kon hij niet zelf doen. Er kwamen dus mensen die hem dat werk uit handen namen tegen een kleine vergoeding. En omdat de reproductiemiddelen alsmaar beter werden en men na een tijd ook geluid en afbeeldingen kon reproduceren moesten er al maar meer controleurs komen. Niet meer in dienst van de kunstenaar, maar in dienst van een bureau, een organisatie die zich bezig ging houden met het innen van de auteursrechten. Dat was een goede zaak, zo een bureau, omdat dat na een tijdje ook internationaal kon werken. De auteur kon daardoor als vrij kunstenaar een degelijk inkomen verwerven. Hij liet zich vertegenwoordigen door een auteursrechtenbureau en stond toe dat deze organisatie (van structuur een beetje gelijkend op de gilden) een deel van zijn auteursrechten gebruikte om de kantoor- en andere kosten te betalen. Dat auteursrechtenbureau werd belangrijker naarmate de auteursrechten belangrijker werden in de samenleving. En die organisaties groeiden. Groeiende organisaties hebben honger naar groeiende inkomsten. Langzaam maar zeker werd de greep van de auteursrechtenbureaus op de samenleving als maar dwingender.

Niemand misgunt natuurlijk een artiest een behoorlijke broodwinning. En een auteursrechtenbureau mag best een behoorlijk kantoor hebben met personeel. Maar in de ijver om inkomsten te verwerven probeerden ze alle kunstproducties onder hun gezag te krijgen. Dat is aardig gelukt. Zo aardig dat samenleving zich tegen deze veelvraten begint te verzetten.

Uitgangspunt van het auteursrecht was om de kunstenaar, de auteur, een degelijk inkomen te bezorgen. Niet om aandeelhouders de gelegenheid te geven om rechten op te kopen om geld te verdienen aan de uitvoering van werken. Wat is de ratio achter de regel dat nabestaanden van auteurs nog lange tijd auteursrechten ontvangen voor werken waar ze zelf helemaal geen verdienste aan hebben? Vergeet daarbij niet dat de auteursrechten ontstonden in een tijd dat kunstenaars op niets anders terug konden vallen dan op de inkomsten uit hun werk. Vele kunstwerken en vele uitvoeringen van kunstwerken worden nu mogelijk gemaakt door subsidies. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat deze subsidies indirect ten goede komen van de bureaus. Het minste dat men dan zou kunnen verlangen is dat deze de subsidies dan eerst zouden terugbetalen.

Daarbij staan deze auteursrechtenbureaus duidelijk met hun rug naar de evolutie in de huidige maatschappij.

Omdat er geen draagvlak meer is voor de ouderwetse auteursrechten proberen consumenten op alle mogelijke manieren aan het betalen ervan te ontsnappen. Waarom auteursrechten betalen voor een film die de producers al veel geld heeft opgebracht en waarvoor de artiesten al gigantische salarissen hebben opgestreken. De elektronische media geven gratis toegang tot een scala van kunstuitingen. En daar waar de toegang niet gratis is zullen er altijd wel mensen aan werken om ze gratis te maken.

De vrijheid op de internetkanalen wordt beperkt voor het doorzenden van  zaken waarvoor de gemeenschap al heeft betaald. De politiek spekt de zakken van de tussenhandelaars in kunstproducten door mensen te straffen die iets gebruiken waar ze via de belastingen voor hebben moeten dokken.

De meeste kunstenaars krijgen tegenwoordig een behoorlijke vergoeding voor hun werk. Kunstenaars die dat niet krijgen weten blijkbaar geen belangstelling te genereren en zullen dus ook niet profiteren van de auteursrechten.

Dit stukje is een origineel werk. Als auteur moet ik dus recht hebben op een vergoeding als ik dit stukje openbaar maak. Ik moet dan wel lid zijn van een auteursrechtenbureau en dat ben ik. Lach niet. Er was een tijd dat de weerman op zijn weerpraatjes  auteursrechten  kreeg.

Voor zover ik weet is zoiets  nu niet meer mogelijk. Maar met veel  andere onzin hebben we dagelijks te maken.

De wereld om mij heen.


reageer


  • Inloggen met Facebook

  • Advertentie

  • Ontvang het laatste nieuws van Nieuwslog in je mailbox. Selecteer de dossiers van je keuze en blijf op de hoogte via onze dagelijkse nieuwsbrief. Probeer ‘m nu! Bevalt het niet dan is opzeggen met 1 klik geregeld.