Hij stond voor het raam en keek naar buiten. Zachtjes wiegde hij op en neer. Van zijn tenen langzaam af rollend naar zijn hielen en terug. Onderwijl keek hij naar buiten. Het regende. En niet zo een klein beetje. Daarbij stond er een felle wind. De bomen in de tuin van zijn overbuurman zwiepten heen en weer. De wolken galoppeerden achter elkaar voorbij, telkens even halt houdend om weer een overvloed aan water te lozen. Dit was weer voor dijkbewaking. Hij keek met een zeker ongeduld op zijn horloge. Hij moest er door. Onmogelijk om vandaag niet te gaan.
Natuurlijk was het een goede gelegenheid om dat nieuwe jack aan te doen. Dat zou hem zeker beschermen tegen de koude windstoten en de regen zou er af rollen. Toen realiseerde hij zich dat het water dan op zijn broek zou druipen. Dat kon dus niet. Hij kon niet toekomen met een broek die vanaf zijn knieën tot aan de omslag doornat was. Een broek die aan zijn benen zou kleven, die zou dampen in de warme kamer, waar geen plooi meer in zou blijven. Daarbij, als hij het jack aan zou trekken, wat hij niet zou doen, dan moest hij zich omkleden. Dat jack over een colbert was uitgesloten. Hij wist zeker dat hij het jack dan niet dicht zou krijgen en daarbij kwam het colbert misschien wel onder het jack uit. Dan zou hij een trui moeten aantrekken. Dat kon nog wel, maar dan moest hij wel een polstasje mee nemen.
Daarbij was hij van plan geweest om zijn Borsalino op te zetten. Die mooie zacht grijze die je zo elegant met een zwierig gebaar kon afzetten zonder dat je kapsel direct helemaal in de war zat. Maar met deze wind was die Borsalino ook uitgesloten.
Hij zou natuurlijk een paraplu mee kunnen nemen. Maar om een beetje beschutting te vinden onder een paraplu moest je het scherm zou laag mogelijk voor je gezicht houden. Dan zag je nauwelijks wat voor je uit en zou hij zeker van de ene plas in de andere stappen. Dat kon niet. Niet met deze schoenen. Daarvoor was het fijne leer te kwetsbaar. Trouwens de zolen waren ook van leer. Dat was om moeilijkheden vragen. Glijpartijen bij dit weer waren een zekerheid. Hij had wel een regenjas die hij aan kon trekken. Een vrij sportieve regenjas. Met grote revers en epauletten op de schouder. Zo een regenjas waarin je er uitzag als een detective uit de vorige eeuw. Zo een jas vroeg om een pijp. Zo een jas moest je ook los dragen, die moest open hangen, anders zag het er niet uit.
Zijn mooie deftige jas was natuurlijk uitstekend geschikt voor dit weer. Maar er zat een bontje op de kraag. Hij herinnerde zich wat er was gebeurd toen hij een paar maanden geleden die jas had aangetrokken op een zaterdag toen hij de stad in trok. Die reacties wou hij niet meer meemaken. Daarom dacht hij er ook niet aan om zijn bontmuts op te zetten. Alhoewel die nu zeker stevig op zij hoofd zou blijven staan. …
.Hoopvol keek hij maar weer door het grote raam naar de hemel. De hemel, wat hij er van kon zien door de striemen regen door, was loodkleurig. Onder het loden gewelf joegen dreigende witte flarden van wolken elkaar op. Nu en dan hielden ze even stil om eensgezind een deel van hun inhoud over boord te zetten. Maar de wind gunde ze nauwelijks rust. Nee, er zat voor vandaag geen beterschap in.
Hij zuchtte en mompelde “nou ja, ik heb het geprobeerd.”
Toen nam hij zijn autosleutel….
De wereld om mij heen